Hoera, Op Ruwe Planken bestaat dit jaar liefst 15 jaar – nog even en we worden zelfs volwassen! We trappen dit lustrumjaar af met de webserie ‘Vijftien jaar Op Ruwe Planken’, waarin (oud-)redacteuren herinneringen ophalen aan hun tijd in de redactie en aan één tekst in het bijzonder. Dit is aflevering 10, met daarin huidig hoofdredacteur Laurens van de Linde over ‘Vliegveld’ uit ORP 14.1.

Daar gaan we: een favoriete tekst uitzoeken voor het lustrum van Op Ruwe Planken. Of misschien beter: een verhaal of gedicht dat me is bijgebleven, dat belangrijk is geweest. Waarschijnlijk zeggen de andere redacteurs het ook in hun teksten, maar geloof me, het is verschrikkelijk lastig. De stapel is teruggebracht tot vier boekjes (Het klusnummer, De ongemakkelijke stilte, Hou het straat, Klassiek) en de neiging om vals te spelen en meerdere teksten voor te dragen is nauwelijks te onderdrukken. Op omslag selecteren is al helemaal niet te doen.

Het klusnummer presenteerden we uiteraard door met een reciprozaag (aantal seconden dat ik dat woord ken: 4) het nummer in tweeën te zagen. Toen toenmalig hoofdredacteur Wout het thema van De ongemakkelijke stilte op de presentatie wilde demonstreren, werd afwisselend gezwegen en gelachen – zo mogelijk nog ongemakkelijker voor een dichter. Het eerste Hou het straat-nummer werd met een spuitbus blauwe graffiti bewerkt, en ORP Klassiek werd ingelijst en onthuld onder begeleiding van het Nijmeegs studentenorkest.

Al goed, al goed, ik stel uit. De tekst die ik jullie bij dezen wil meegeven, is ‘Vliegveld’ van Myrthe Timmers, dat in Klassiek verscheen. Het is een verhaal dat precies de juiste details gebruikt om de mistroostige toon helder neer te zetten, en daar ook voldoende ruimte voor neemt. Wat ik fijn vind aan het verhaal, is dat er geen grootse onthulling van de clou wordt gemaakt, als een soort tovertruc. Dit verhaal heeft een ingrijpende climax, maar het voelt niet als een duveltje uit een doosje omdat je er geleidelijk naartoe wordt geleid, en bij tweede en derde lezing steeds beter begrijpt waar je onderbuikgevoel vandaan komt, door de sterke details.

Om ten slotte de slotregel van ‘Het laatste woord’ (Kristien Koudijs, 12.2 – De ongemakkelijke stilte) te citeren: “Dat was het.”

——————–

Vliegveld
Myrthe Timmers

Half vijf ’s ochtends. In de aankomsthal hullen de restaurants en winkels zich in duisternis, hun ingangen afgesloten door rolgordijnen. Alleen de McDonald’s is open. Met een helgeel verlichte ingang probeert het restaurant toeristen ervan te overtuigen dat dit de enige juiste plek is om te zijn op dit uur. Voor Robert werkt het. Terwijl hij zijn ogen strak gericht houdt op het licht aan het einde van de gang, begint hij te lopen. Na een paar meter rent een muis voor zijn voeten langs. Het diertje schiet onder het rolluik van een parfumerie door en verdwijnt. Robert versnelt zijn pas.
Wanneer hij de drempel van het restaurant overstapt, voelt hij zich opgelucht. Klanten zijn er nauwelijks, slechts twee tafeltjes zijn bezet. Daartussen verspreidt een schoonmaker het afval dat in zijn bezem hangt gelijkmatig over de vloer, aandachtig gadegeslagen door twee caissières die naast elkaar over de toonbank hangen. Als Robert om een cappuccino vraagt, maakt het linkermeisje zich zuchtend los van de toonbank. Ze sloft naar een apparaat waar ze een paar knoppen indrukt, waarna ze terugkomt met een klein bekertje. ‘Dat is dan één vijfennegentig.’
Zo ver mogelijk van de andere gasten zoekt hij een plaatsje aan het raam. Ondanks de ochtendkoelte plakt het skaileer van de bank aan zijn blote benen . Zijn koffie smaakt naar slecht schoongemaakte automaat. Om iets te doen te hebben, neemt Robert toch af en toe een slokje. Vanaf zijn plaats heeft hij uitzicht op de landingsbanen. Overdag zouden hier zo’n twintig vliegtuigen per uur moeten landen, maar nu zijn ze het domein van de vogels. Druk kwetterend hupsen ze rond in de beginnende zonsopgang, zich onbewust van het gevaar te worden verpletterd door iets dat vele malen groter is dan zijzelf. Robert wendt zijn blik af.
De schoonmaker nadert zijn tafeltje. ‘Goedemorgen meneer,’ zegt hij terwijl hij een prullenbak leegt. ‘Wacht u op iemand?’
‘Ja, op mijn vrouw.’ Aan het einde van de landingsbaan komt de zon op, oranje strepen licht vallen over zijn tafel. De schoonmaker vormt schaduwen wanneer hij er een morsig doekje doorheen haalt. ‘Dat is altijd spannend. Het blijft de vraag of ze net zo mooi terugkomt als ze wegging.’ Hij lacht bulderend voor hij de vuilniszak over zijn schouder gooit en wegloopt. Robert neemt nog een slok koffie. Behalve smerig is die nu ook koud.
De zon wordt geler en warmer. Robert sluit zijn ogen en laat het zonlicht rode bollen vormen achter zijn oogleden.
‘Zo meneer, zit u er nog steeds?’ Robert schiet overeind. De schoonmaker staat naast zijn tafeltje, de bezem tegen zijn bovenbeen geleund. De McDonald’s is voller geworden. De mensen die er om half vijf zaten, zijn weggegaan en vervangen door andere, vooral gezinnen. Overal jengelen kinderen om een ijsje, hun wangen rood van de gemiste slaap.  ‘Hoe laat is het?’
De schoonmaker kijkt op zijn horloge. ‘Kwart voor zeven.’
Hij zakt onderuit in een makkelijker houding.
‘U hebt haar nog niet gemist?’ vraagt de schoonmaker.
‘Nee,’ zegt hij. ‘Er wordt pas om half acht geland.’
‘Dan was u hier wel op tijd,’ zegt de schoonmaker.
‘Ik kon toch niet slapen.’
‘Zeker nog niet zo lang bij elkaar?’
‘Zeven jaar en een kind.’
De schoonmaker verplaatst de bezem van zijn been naar de tafel. ‘Als u toch nog een uur moet wachten, vindt u het vast wel goed dat ik er even bij kom zitten, toch?’ Zonder op antwoord te wachten schuift hij tegenover Robert aan tafel. Uit zijn schoonmaakkarretje haalt hij een broodtrommel tevoorschijn. Een moment verbaast het Robert dat er boterhammen met leverworst inzitten en geen hamburgers.
‘Hoe lang is ze weggeweest, je meissie?’De schoonmaker scheurt met zijn tanden bijna de helft van de boterham af en propt hem in één keer in zijn mond. Na drie keer kauwen slikt hij hem door.
‘Drie weken,’ antwoordt Robert. ‘Familiebezoek.’
‘Dat is best lang,’ zegt de schoonmaker, terwijl hij de tweede helft van de boterham naar binnen werkt. ‘Moet fijn zijn om haar weer te zien. Straks in de slaapkamer.’ Hij knipoogt.
Robert kijkt naar buiten. Twee duiven zitten vleugel aan vleugel op de landingsbaan. Als de ene een stukje opzij hupst, hupst de ander mee.
‘Waar is ze naartoe geweest?’
‘Italië.’ En omdat hij vindt dat dit antwoord wat kort klinkt, voegt hij eraan toe: ‘ze is een Italiaanse.’
‘En ze vond u zo leuk dat ze voor u naar Nederland is gekomen? Toe maar. Dat hebben die vrouwtjes bij mij nu nooit.’ De schoonmaker lacht bulderend. Robert kijkt naar een druppel speeksel die aan de onderlip van de man bungelt en denkt dat hij begrijpt waarom. De schoonmaker schuift zijn laatste boterham naar binnen en staat op. Joviaal slaat hij Robert op zijn schouder. ‘Maak er wat moois van met je meisje, straks.’
Robert knikt. Uit automatisme drinkt hij zijn cappuccino op. Hij denkt niet dat hij eerder zoiets goors heeft geproefd. Vertwijfeld vraagt hij zich af of hij nog iets zou moeten bestellen in het laatste halfuur voor er geland wordt.
Naast hem laten twee jongetjes zich op de grond zakken. In hun hand hebben ze allebei een autootje uit hun happy meal. Ze moeten iets ouder zijn dan Luca, die nu bij zijn oma logeert. Bij het afscheid gisteren huilde hij lang en gierend, omdat hij mee wilde om naar de vliegtuigen te kijken. ‘Je hebt het beloofd,’ bleef hij herhalen.
De jongetjes maken met veel verslies van speeksel broemende geluiden en rijden elkaar achterna. ‘Inhalen!’ brult de jongste, terwijl hij sneller begint te kruipen.
Dat had Elena ook gezegd. Het was half zeven ’s ochtends en hij had haar net opgehaald van Schiphol. Over de snelweg hing nog de nevel van een vroege lenteochtend, in de weilanden rilden de pasgeschoren schapen. Hij had snelheid geminderd en was plagerig traag op de rechterrijbaan gaan rijden. ‘Kijk, lammetjes,’ wees hij. ‘Lief hè? Straks komen we langs de bloemenvelden.’
Theatraal  had Elena met haar ogen gedraaid.
Een van de jongetjes schiet razendsnel onder Roberts stoel door, in een poging zijn broer voor te blijven. Zijn autootje knalt tegen Roberts schoen. Zonder sorry te zeggen kruipt het kind verder. Robert slikt. Zijn mond is droog. Misschien moet hij toch nog wat te drinken bestellen. De frisdrank zal vast minder vies zijn dan de koffie. Hij doet het niet, bang om de landing te missen.
Om vijf over half acht verschijnt er een vliegtuig aan de horizon.
Als het landingsgestel wordt uitgeklapt, vliegen de duiven razendsnel op. Na een paar seconden raakt het de grond met een dreun die zelfs binnen te horen is. Er trekt een rilling door Roberts lichaam wanneer hij zich voorstelt hoe Elena nu door elkaar geschud wordt. Het vliegtuig rolt uit en komt tot stilstand in een parkeervak. Aan de rand van het terrein zetten mannen in gele hesjes zich in beweging. Op voertuigen die nog het meest op tractors lijken, rijden ze trappen naar de uitgangen van het vliegtuig.
Dan gebeurt er niets.
Pas na tien tergend langzaam voorbij tikkende seconden gaan de deuren open en braakt het vliegtuig twee lange stromen reizigers uit. Tegen beter weten in kijkt Robert of hij Elena tussen de passagiers ziet lopen. Ondanks het vakantietempo dat veel van hen nog in de benen zit, loopt het vliegtuig snel leeg. Gezinnen met kinderen, roodverbrande tieners, een vrouw in een rolstoel, de aankomsthal heeft ze allemaal binnen een paar minuten opgeslokt. Van Elena geen spoor.
Bij het vliegtuig staan nu alleen nog gele hesjes. Ze hebben een luik aan de zijkant opengemaakt, vanwaar ze de koffers op een treintje zetten.  Zodra ze alle wagonnetjes vol hebben, rijdt een van hen ze naar de aankomsthal. Nadat acht wagons gevuld zijn, gaat het luik dicht. Het laatste halflege treintje rijdt weg en aan de andere kant van het vliegtuig wordt een nieuw luik geopend, waar een kar onder wordt gereden.  Met een liftje laten de gele hesjes er langzaam een grote kist op zakken.
Robert kijkt hoe ook deze het gebouw wordt binnengereden voor hij opstaat. Hij recht zijn rug en loopt naar de uitgang. Net voor hij het restaurant uitstapt, hoort hij het geluid van twee plastic voorwerpen die tegen elkaar knallen.  ‘Botsing!’ gilt een hoog stemmetje.