Hoera, Op Ruwe Planken bestaat dit jaar liefst 15 jaar – nog even en we worden zelfs volwassen! We trappen dit lustrumjaar af met de webserie ‘Vijftien jaar Op Ruwe Planken’, waarin (oud-)redacteuren herinneringen ophalen aan hun tijd in de redactie en aan één tekst in het bijzonder. Dit is aflevering 14, met daarin Pim Franssen over ‘Fenomaan’ uit ORP 1.2.

Het zal rond vier uur ’s nachts geweest zijn. Ik stond te dansen bij Diogenes (ja, lieve kijkbuiskinderen, dat bestond toen nog), ogen dicht, geconcentreerd, zoals ik dacht dat dat hoorde. Niet ver van mij vandaan stond ongetwijfeld een meisje dat ik niet kende op wie ik indruk probeerde te maken.

Iemand tikte op mijn rug. Verstoord keek ik om. Voor me stond een verlegen jongen ongemakkelijk heen en weer te wiegen. Of ik de hoofdredacteur was van Op Ruwe Planken. Ik knikte. Hij schreef ook, zei hij, en wilde wel in de redactie.

‘We hebben genoeg mensen in de redactie,’ zei ik en danste verder. Je moet mij geen dingen vragen als ik geconcentreerd indruk sta te maken op een meisje.

Jaren later – Diogenes bestond al lang niet meer, ikzelf was doorgeschoven naar Parmentier – sprak ik hem opnieuw. Hij was redacteur van Op Ruwe Planken, vertelde hij. En hij werkte aan zijn debuutroman die zou uitkomen bij de Bezige Bij.

Die jongen was Willem Claassen en hij behoort inmiddels tot de voorhoede van de Nijmeegse literatuur.

Zo kan het gaan.

——————–

Fenomaan
Willem Claassen

Godverdomme, wat was ze lelijk! Ik heb geen idee waar ze destijds vandaan kwam, maar opeens was ze er gewoon. Neen, niet gewoon, juist uiterst ongewoon, het was een verschrikking. Nog nooit had ik zo’n wezen gezien en de eerste keer dat ik haar zag wist ik dat zij het afschuwelijkste van het afschuwelijkste van het afschuwelijkste moest zijn. Mijn eerste reactie kwam uit het diepste van mijn lichaam; mijn maag. Alsof mijn ingewanden het verschijnsel konden zien, welden ze op, spanden ze zich en wierpen ze met een explosie aan kracht alles wat ik de afgelopen drie dagen had gegeten omhoog naar buiten. Ze stond vier meter van me af en werd niet geraakt. De sesamnootjes uit de boterham die ik die morgen snel had opgeslokt schoten het verst en vielen vlak voor haar voeten neer. Ze keek er niet van op.

Haar verschijning was iets waar je een heel boek over vol kon schrijven. Met lange zinnen, vergezochte metaforen en gedetailleerde bewoordingen die nauwelijks in de buurt kwamen om te beschrijven hoe ze er werkelijk uitzag. Fantasie- en horrorfilms deden onder voor haar uiterlijk, want niets, helemaal niets was lelijker dan zij. De kleine haardos op haar hoofd zag gelig wit en deed me denken aan een zieke boom met dunne, uitgedroogde takjes. Het leek net alsof op elk moment van de dag haar haren naar beneden zouden kunnen komen. Dat was haar bovenkant. Bij andere mensen zou je die plaats ‘kin’ noemen, maar bij haar had alles een andere plek. Het hoofd klopte niet met het lichaam. Het was een groot, opgezwollen en vooral misvormd hoofd. Er was nergens lijn in te bekennen. Elke vloeiende omlijning die je in haar gezicht ontdekte brak na enkele centimeters af. Dat had met haar huid te maken, want het was overal op haar lichaam een soort wrattenhuid. Blijkbaar heb je bij wratten verschillende maten, want op de ene plek was het een soort dun hobbelig laagje, terwijl het op een andere plek vervaarlijk naar buiten stak. Haar wrattenhuid was kleurrijk, maar het verfpalet was een aaneenschakeling van de meest vloekende en gedrochtelijke pigmenten. Het deed me denken aan virussen, schimmels en vuilophopingen.

De rest van haar lichaam probeerde ze zoveel mogelijk te bedekken met gewaden. Deze kledingkeuze had haar monsterachtige verschijning nog een beetje kunnen camoufleren, maar het dikte haar lelijkheid alleen maar aan. Het waren smerige kleden, die wel tien keer door het slijk leken te zijn gehaald. In het dorp ging zelfs het gerucht dat ze haar kont afveegde met deze kleden, omdat ze de kleur zo mooi vond.

Schoenen droeg ze niet, want die waren er voor haar voeten niet. Het ging niet zozeer om de lengte van haar voeten, het was eerder de hoogte. Niemand wist wie ze was en waar ze vandaan kwam. Niemand wist hoe ze heette, waar ze woonde en wie haar familie was. Ze zat opeens bij me in de klas en daar werd ze door iedereen gemeden. Dat was ontzettend moeilijk, want als ze in de buurt was, leek ze je ogen te dwingen naar haar te kijken. Andere meisjes zijn lelijk, omdat ze zo onopvallend zijn. Ze zeggen meestal niets, kijken bang uit hun ogen en kunnen zich als het ware onzichtbaar maken.

Maar dit meisje niet. Ze eiste alle aandacht op door haar verschijning. Je kon niet om haar heen. Keek je haar aan dan prikkelden je ogen. Het was moeilijk om haar aan te kijken omdat ook haar ogen bedekt waren met een grote hoeveelheid van die wrattenhuid. Maar als je dan oogcontact had, leek het alsof je in een eindeloze put keek. Een leegte die niet te filmen was. “Als je je een voorstelling wilt maken hoe oneindig het helaas is, dan moet je in haar ogen kijken”, zei een vriend eens tegen mij. Hij had gelijk.

We spraken altijd over ‘haar’ of ‘ze’. Iedereen wist dan wie je bedoelde. Dat ze een meisje was wisten we absoluut zeker, maar we konden niet concreet aangeven waar je dat dan aan kon zien.

Een keer begaf ik me alleen met haar op het schoolplein. Dat was een vreselijke ervaring. Ze wilde iets zeggen of ze keek gewoon naar mij, ik weet niet wat het was. Ik rende zo hard als ik kon bij haar vandaan, alsof mijn leven ervan afhing. Maar het ging niet. Ze had me in haar macht. Ze dirigeerde me met haar lichaam. En ik moest kijken. Ik werd gedwongen. Verstijfd stond ik te kijken hoe ze haar gewaad langzaam optilde en met één beweging op de grond liet vallen. Daar stond ze. Schaamteloos naakt op het schoolplein. Van naakt was eigenlijk geen sprake, want door de wrattenhuid leek het alsof ze een harnas aan had. Maar de aanblik was zo afgrijselijk dat er schuim uit mijn mond kwam. Het leek haar niet te deren en zonder dat ik het gevoel had dat ik bewegingen maakte, liep ik naar haar toe en raakte ik haar aan. Ik wilde weg, ik wilde er niet meer zijn, maar het enige wat ik kon doen, was die schrale wrattendeken aanraken. Wat van afstand zacht leek, bleek knoerthard te zijn. Haar lichaam was als van steen en nu pas viel me op wat voor een stank ze uitwasemde.

Ik trok mijn hand terug, maar ze stapte op me af en gaf me een zoen zonder dat ik haar lippen voelde. Ik viel met een geweldige smak achterover op de grond. Vijf dagen later werd ik wakker in het ziekenhuis. Ik had een zware hersenschudding en ik had enkele botten gebroken. Sinds ik wakker was steeg mijn lichaamstemperatuur in hoog tempo. Al snel had ik zware koorts. Vier maanden bleef ik in het ziekenhuis en daar kreeg ik fruitschalen, chocola, boeken, video’s en computerspelletjes. Maar het enige dat ik wenste, was dat ik haar nooit meer zou zijn. Diep, heel diep van binnen wenste ik haar voorgoed weg. Weg van de aardbodem, terug naar haar eigen planeet en terug naar haar eigen wereld.

En nu ligt ze daar verscholen tussen het hout. Nog nooit heb ik zo’n drukte op een begrafenis gezien. De hele school is op de plechtigheid afgekomen. Ik verwachtte een zegetocht met vrolijke geluiden, slingers en vlaggen. Maar de begrafenis was zoals elke begrafenis, zwarte kleding, biddende en treurende mensen. Na de gewelddadige klap op het schoolplein heb ik haar nog een keer gezien. In een glimp zag ik haar lopen. Ze was niets veranderd. Zelfverzekerd liep ze over straat met dat vreselijke gewaad aan en de mensen wezen haar na. Ze zag me niet en dat moet mijn redding zijn geweest. Het bleef bij een misselijk gevoel. Vorige week maakte ze er zelf een eind aan. Ze vonden haar liggend op haar rug op het schoolplein, met een kogel in haar hoofd. Vlak naast haar hand lag het pistool. Ze moet het hard tegen haar hoofd gedrukt hebben, want de kogel was diep binnengedrongen. Volgens de politie zag het er allemaal monstrueus uit, maar dat was bij haar ook niet zo moeilijk. Waarom ze dit heeft gedaan weet ik niet. Het zal wel met haar uiterlijk te maken hebben. Daar valt toch nooit mee te leven? Wat ik me vooral afvraag is of ze haar hele leven in eigen hand heeft gehad, of dat ze alleen kon beslissen over het einde.

Nu ik hier weer vlakbij haar sta zonder haar te zien, overvalt me een onprettig gevoel. Ik dacht dat ik opgelucht zou zijn met de wetenschap dat ze me nooit meer kan dwingen naar haar te kijken. Maar dat is het hem juist. Ik wil haar juist nu graag zien. Nu, met het bloed nog op haar wrattenhuid en haar ogen definitief dicht. Maar de eerste blokken klei worden al op de kist gegooid. Hier en daar wordt er gesnikt. Dat heeft ze mooi voor elkaar gekregen. Net als dat ik me niet opgelucht voel, maar een beetje verward.