Bekant Pasen

duiven

1.
Het is nog donker als Margot wakker wordt. Door het dakraam boven het bed kijkt ze naar het licht van de stad dat reflecteert in de wolken en de mist. Ze denkt dat ze het meeste van haar man houdt op momenten als deze. Dat ze het meest van hem houdt als hij slaapt, maar ze weet het niet zeker.
Het is immers een beetje vreemd als je het meest van je man houdt als hij er eigenlijk niet is.

Met een knal vliegt er een dikke duif tegen het dakraam. Althans, ze neemt aan dat het een dikke duif is, wanneer het beest langzaam losglijdt van de ster die hij in het dakraam achterliet. Er trekt een spoor van bloed met hem mee, een zwarte streep tegen het licht van de stad in de wolken.
Margot kijkt naar de veertjes en het zwarte bloed. De reflectie van de glasscherven die op het dressoir onder het dakraam liggen. Het tocht door het gat in het midden van de ster.
Mannen zijn altijd zo daadkrachtig. Ook als ze nog slapen. Margot trekt het dekbed wat verder naar haar kin als haar man in een opgeschrikte snurk wakker wordt.

“Wat was dat?”
“Een duif.”
“Er zit godverdomme een ster in het dakraam.”
“Ik denk een duif. Ik weet het niet zeker.”
“Er zit godverdomme een gat in het dakraam!”
Hij kijkt haar aan.
Ze draait zich om en hij staat op.
“Ik ga het raam plakken.”
In de gangkast hoort ze hem rommelen en daarna hoort ze het broodmes door een stuk karton gaan.

2.
Margot denkt aan dikke duiven. Ze ziet in de stad vaak dikke duiven die maar één pootje hebben. Ze hinkelen op de goeie poot, waarnaast een klompje schubben hangt dat meedeint op het gehinkel. Die duiven zijn altijd dik, wat zou betekenen dat er meer te eten of minder te bewegen is voor een gehandicapte duif. Het is dus klaarblijkelijk niet zo dat een duif met maar één poot extra veel zou vliegen of dat het voortbewegen op één poot veel meer energie kost. Waarschijnlijk vinden de mensen in de stad de dikke duif met één poot zielig en krijgt dat beest alle restjes.
Bijvoorbeeld op de markt.
Dan heeft zo’n duif helemaal geen zin meer om te vliegen.

Ze belt de glaszetter.

3.
Margot kijkt naar de glaszetter op het dak, die met een stuurse worp de dode vogel die de gebroken ruit veroorzaakte over zijn schouder gooit. De vogel valt naast haar jongste dochtertje neer, dat net naar buiten is komen lopen.
“Kijk mam, die kip is ziek.”
“Dat is een duif.”
“Wat een dikke duif.”
“Dat is inderdaad een hele dikke duif.”
“Hij slaapt, toch?”
“Nee, de duif is dood.”
“De dikke duif.”
“Ja, de dikke duif is dood.”
Het meisje kijkt naar het dak.
“Hoe kan zo’n dikke duif zo hoog?”
“Misschien wilde de duif wel dood,” zegt Margot.

Margot loopt naar binnen om een spade en een schoendoos te pakken.
“Zoek jij maar een mooi plekje voor de duif,” roept ze over haar schouder.
Haar dochtertje loopt de tuin in.

Margot vindt haar dochtertje in de rododendron.
“Hier?”
“Hier.”

Margot graaft, gebukt onder de takken.
Als ze het gat weer dicht hebben gegooid kijken ze geknield naar de omgewoelde aarde.
Margot huilt.

4.
Margot wordt dik.
“Eet toch eens wat,” zegt Margots man. Als kuikentjes kijken haar twee dochtertjes haar aan.
“Ik heb geen honger.”
“Kindertjes in Afrika, die hebben honger,” zegt haar jongste, de andere knikt.
“Kindertjes in Afrika, die zijn lekker slank,” zegt Margot.

Ze had seks moeten hebben met de glaszetter in plaats van dat beest de grond in. Het was een jonge jongen met een vies snorretje. Dan had ze hem nu stiekem aan haar vingers kunnen ruiken, dan had ze door het raam kunnen staren en kunnen denken aan vanmiddag.

Na het eten veegt ze op de slaapkamer de glasresten van het dressoir.
Beneden kijken de kinderen en Margots man televisie.
Ze gaat op de bank naast haar man zitten.

5.
Margot en haar man gaan naar bed.
Ze kan zich niet meer herinneren wanneer ze voor het laatst samen voor de spiegel tanden hebben gepoetst. Dat leek altijd alsof het echt was, als ze naar elkaar keken in de spiegel.

Als ze in bed kruipt slaapt Margots man al.
Misschien houdt ze dan het meest van zijn lijf, maar dat verklaart niet waarom ze dan overdag niet graag naar hem kijkt.
Ze houdt van hem als hij alles kan zijn wat ze wil dat hij is.
Als hij ademt en ze naar hem kan kijken zonder dat denkt dat ze verwachtingen ziet.
Moet beminnen.
Moet denken.
Moet zinnig doen.
Als er niets gebeurd.
Ze moet blijven zorgen dat er niets gebeurd.
Ze sluit het rolgordijn.
De mist verdwijnt.

Hanneke Hendrix werd met een identiteitscrisis geboren, groeide op onder de rook van Venlo en realiseert zich sinds kort dat het er sinds die tijd is het er niet veel beter op geworden is. Ze studeert Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten te Utrecht en Wijsbegeerte aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.
Ze schrijft voor Passionate Magazine, publiceerde in onder andere Op Ruwe Planken en droeg voor tijdens Wintertuin Festival en Lowlands Festival.
En als ze geen bier schenkt dan schrijft ze op www.hetmeisjedatopdinsdaghetbierschenkt.nl