hanneke2

Voor de hoop

Voordat de hooiman er was, waren de dagen aaneengeschakeld en was een week een grote brei van niks. Een grote brei van niks met als enige afwisseling een wandeling naar de kruidenier. Ik stond op rond een uur of vier om het koffiezetapparaat aan te zetten, mijn dagelijkse wandeling om de hoek te maken en om broodjes te halen. Twee broodjes.
Thuis kroop ik met die broodjes en een mok koffie onder de dekens en dan keek ik videobanden.

Sinds een dvd-speler nog maar twee tientjes kost kun je via internet voor een kwartje-vieftig hele dozen ouwe videobanden aanschaffen. Haperende banden met speelfilms, bruiloften van neef Henk, documentaires, kinderprogramma’s, Rolf X. Wouters, en seizoenen onvolledige series van jaren terug met reclames waarin een blank en een zwart jongetje in een grote broek chocoladepasta promoten of waarin wordt gezongen over de spaarbank met de S.

De wereld kwam binnen met strepen en kleurflikkeringen, haperingen en valse muziek. Een wereld van soms wel tien jaar terug, een wereld die er elk moment de brui aan kon geven. Soms was ik wel tien minuten bezig met het masseren van een cassette en dan keek ik triomfantelijk de lege kamer rond als de film eenmaal zonder kraken en haperen begon te spelen.

Ik sliep slecht toen. Ik dacht dat het god was die me probeerde te vertellen dat ik een lelijk en stinkend wezen was dat de rust van de nacht niet verdiende. Nu lijkt het me logischer dat het mijn lijf was dat me probeerde te vertellen dat ik meer naar buiten moest. Dat ik moest bewegen, werken, iets doen. Ook niet bijster snugger van mijn lijf, overigens, om via intense moeheid me te proberen te vertellen dat ik iets moest gaan doen. Mijn lijf codeerde nogal omslachtig. Het leek wel een vrouw, dat lijf van mij.

Huilen was na slapen en eten de hoofdactiviteit van mijn dag. Niet zozeer omdat ik niemand had, want ik moest er niet aan denken om iemand om me heen te hebben, maar omdat ik alleen was met mezelf.

En dat ik dat was, waar ik mee was.

Het leven zou zoveel gemakkelijker zijn geweest als ik iemand anders was geweest. Als ik een blonde vrouw was geweest, met humor en anderhalve meter been, die lekker kan koken en goed kan pijpen, een vrouw met rode lippenstift en een sigaret, die journaliste is en ’s avonds uit gaat dansen. Als ik een vrolijk kind was geweest, dat was uitgegroeid tot een vrolijk mens, dat het leven ziet als een boel uitdagingen, een vrolijk mens dat graag met bejaarden praat, met kinderen, een mens dat niet opgehouden is met naar buiten te gaan omdat ze op straat toch het liefste mensen omver fietst.
Als ik niet opgescheept zou zitten met een bitter iemand, met iemand die geen ander nut kan zien dan het zo rigoureus mogelijk uitschakelen van het gevoel door twaalf uur per dag televisie te kijken, dan had ik niet steeds hoeven huilen.

De afwezigheid van hoop bewijst dat hoop an sich wel degelijk bestaat. Om te weten dat het afwezig is moet het gekend zijn geweest. Ooit. Ik kon alleen weten dat ik geen hoop had omdat ik toch ergens in de verte hoop moest hebben gekend. Zelfs in sterven had ik geen zin. Ik leefde iedere dag toe naar het eind van een film en het begin van de volgende en de momenten dat ik broodjes kon eten.
Ik at twee broodjes per dag.
Soms was ik zo blij met het brood dat het me ontroerde. Maar vaker huilde ik omdat ik mezelf betrapte op schrokken. Dat ik dacht dat ik in een beest aan het veranderen was.

Vreten kreng, omdat je niks anders hebt. Kijk dan, je huilt en omdat je zo alleen bent en zo lelijk en gevlekt haal je het enige plezier in je leven uit het eten van die broodjes. Geloof me, als je had kunnen neuken, dan zou je hebben geneukt, je zou jezelf van binnen helemaal kapot laten rammen en dan had je gehuild, omdat je niks anders had dan alleen maar dat gat daaronder.

De laatste vrolijke bui die ik had, was de dag dat de bedrijfsarts me afkeurde. Het laatste gevoel van overwinning voelde ik toen de psycholoog ook niet meer precies wist wat hij met me aan moest.
Want ik heb niks werkbaars.
Er is niks met mij.
Ik heb een gelukkige jeugd gehad, al moet ik zeggen dat ik me niet kan onttrekken aan het gevoel dat een gelukkige jeugd een oxymoron is. Ik snap wel dat u dat misschien niet zo voelt. Dat u dat echt kent, of hebt gekend: geluk.
Ik ben bang dat ik ongelukkig werd geboren.
De één wordt geboren met een navelstreng om de nek, ik werd geboren met een frons.
In wezen is er niks mis, behalve ik, ik als mens, in de diepste kern van mezelf, van mijn wezen, zit niks.

Maar ik at.

Dus ik leefde.
Ik at en ik zag niemand.

Mijn lievelingsfilm is nog steeds Parenthood.
Waarin een groot gezin met kinderen en kleinkinderen allerlei problemen overwinnen, waarin altijd wat te lachen valt, waarin niemand elkaar in de steek laat, waarin oma overgrootoma is en waarin Mary Steenburgen getrouwd is met Steve Martin.
En alles komt op het einde gewoon goed.

Voordat alles goed komt, moet alles fout zijn.

Alles was fout.
Alles was fout voordat de hooiman er was.
Er was geen hoop, er was een vaag vermoeden van de afwezigheid van hoop, dus ergens school het in een kleine kier, achter de plinten van mijn muffe bed.
Alles was fout en toch, het weten van het afwezig zijn is een bevestiging van het bestaan.

Het was vanwege de hoop die ik miste.
Het was een soort van wachten.

Hanneke Hendrix werd met een identiteitscrisis geboren, groeide op onder de rook van Venlo en realiseert zich sinds kort dat het er sinds die tijd is het er niet veel beter op geworden is. Ze studeert Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten te Utrecht en Wijsbegeerte aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.
Ze schrijft voor Passionate Magazine, publiceerde in onder andere Op Ruwe Planken en droeg voor tijdens Wintertuin Festival en Lowlands Festival.
En als ze geen bier schenkt dan schrijft ze op www.hetmeisjedatopdinsdaghetbierschenkt.nl