Bij de presentatie van het nieuwste nummer van Op Ruwe Planken – binnenkort in de brievenbussen van alle abonnee’s – gaf Sebastiaan Andeweg een korte lezing over homoliteratuur. Sebastiaan Andeweg werd afgelopen mei gevraagd door de bibliotheek van Nijmegen om als ‘Prominente Roze Nijmegenaar’ literatuur en boekentips te geven. Hij studeerde Nederlands aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en was redacteur van Op Ruwe Planken. Dankzij zijn nieuwe titel kunnen we hem nu gebruiken als connaisseur op het gebied van homoliteratuur.

Over homoliteratuur

Mij is gevraagd om voor deze presentatie een lezinkje over homoliteratuur te geven. Dat vooral dankzij mijn nieuw verworven titel als Prominente Roze Nijmegenaar, die ik kreeg toen de bibliotheek op zoek was naar mensen die kijk- en leestips konden geven tijdens de roze meimaand. Enfin, daarom, en omdat ik in mijn kast een collectie van homoliteratuur aan het aanleggen ben, kan ik nu iets over het onderwerp zeggen.

Voor de bibliotheek heb ik afgelopen mei drie literatuurtips gegeven. Het leek me wel makkelijk om die tips hier gewoon te herhalen en toe te lichten, want ik vind die boeken nu eenmaal erg goed. Maar om jullie iets meer het idee te geven dat jullie hier iets van leren, vertel ik eerst kort iets over de geschiedenis van de homoliteratuur. Ik ga het vooral over de Nederlandse homoliteratuur hebben, want ik ben nu eenmaal neerlandicus. Voor buitenlandse homoliteratuur moet je zelf op zoek gaan.

Om het allemaal nog wat wetenschapperlijker te maken eerst de vraag: wat is homoliteratuur? Daar zijn verschillende definities van te geven, zoals in vrijwel alles in de wetenschap en literatuur. We zouden bijvoorbeeld kunnen stellen dat als de schrijver homo is, dat wat hij schrijft ook homo is. Het nadeel hiervan is dat bijvoorbeeld het gehele oeuvre van Arthur Japin dan het stempel ‘homo’ krijgt, terwijl er in het boek ‘De overgave’ helemaal geen homoseksualiteit voorkomt.

Beter lijkt het me daarom het homoseksuele thema als vereiste voor de term gebruiken. Dan is wel de vraag: wat weet een hetero van homoseks en kunnen ze daar dan wel over schrijven? Een andere vraag daarbij is: hoeveel homovermeldingen moet je hebben om een boek tot ‘homoliteratuur’ te bombarderen. De roman Park van Willem Claassen bevat bijvoorbeeld twee homoseksuele buurmannen, die twee of drie keer worden genoemd, maar nooit echt gestalte krijgen. Moeten we Park daarmee al tot de homoliteratuur rekenen? Voor mij niet, maar waar ligt de grens?

Laten we voor deze lezing verder maar even aannemen dat die grens vastligt, ergens tussen Park van Claassen en De Taal der Liefde van Reve. Waar precies weten we niet, maar we moeten door.

Al bij de tachtigers kwamen verhalen voor waarin lichte homoseksuele verhaallijnen te lezen waren, maar over het algemeen wordt de in 1904 verschenen roman Pijpelijntjes van Jacob Israel de Haan als begin van de Nederlandse homoliteratuur beschouwd. Het verhaal speelt zich af in de Amsterdamse wijk De Pijp en gaat over het leven van Sam en Joop. Van een taboe op homoseksualiteit is in het boek nauwelijks iets te merken, waardoor het vooral in die tijd nogal veel stof op deed waaien. De Haan droeg het boek op aan zijn goede vriend Arnold Aletrino, maar die was daar allerminst door geamuseerd. Hij distantieerde zich van het boek en kocht de gehele eerste oplage op, die hij liet verbranden. Ook uit andere hoek kreeg De Haan vrijwel geen bijval. Hij raakte zijn baan kwijt en kwam in een isolement terecht. Zo ging dat in 1904.

Pas na de Tweede Wereldoorlog is de homoseksualiteit meer voor gaan komen in de Nederlandse literatuur. Vooral in de jaren ’60 kwam met Gerard Reve veel aandacht voor het fenomeen. De aandacht kwam vooral door het zogenaamde ‘Ezelproces’. Reve had in Nader tot U (1966) beschreven hoe hij zich voorstelde dat hij seks had met God in de gedaante van een ezel en werd daardoor aangeklaagd op grond van godslastering. Reve won het proces, waarmee hij ruimte creëerde voor hemzelf en anderen om meer over seksuele onderwerpen te kunnen schrijven.

Sindsdien is de homoliteratuur geleidelijk aan uitgegroeid tot iets volwassens. De homoseksuele schrijver en criticus Hans Warren stelde dat in een recensie in 1994. Tot dan toe waren vooral homo’s zelf geïnteresseerd in homoseksuele auteurs en verhalen, maar volgens Warren was dat op dat moment voorbij. Niet meer is het thema automatisch genoeg om homoliteratuur te waarderen: er is inmiddels genoeg homoliteratuur om te kunnen selecteren op kwaliteit. En die kwaliteit maakt de homoliteratuur ook interessant voor de rest van de wereld.

Goed. Mijn drie literatuurtips zijn wat mij betreft voorbeelden van die kwaliteit, boeken die iedereen kan lezen, zonder nou per se homo te hoeven zijn.

Het eerste boek dat ik jullie wil tippen is Frans Kellendonks Mystiek lichaam uit 1986. Het is een goedgeschreven boek met diverse verhaallijnen, waaronder een homoseksuele: het personage Broer die naar New York verhuisd is en daar kunsthandelaar is geworden. Hij loopt een naamloze ziekte op waaraan hij langzaam ten onder gaat. Het hele boek lang krijgt die ziekte geen naam: Mystiek lichaam is daarmee het eerste boek in de Nederlandse literatuur dat over AIDS gaat, nog uit de tijd dat daar vrij weinig over bekend was. Helaas is Kellendonk er zelf ook aan gestorven. Kellendonk studeerde Engels hier in Nijmegen, en delen van Mystiek lichaam spelen zich hier in de omgeving af. Nog een reden om het boek aan te schaffen (volgens mij staat er nog X in de kast hier).

De tweede literatuurtip is van Tom Lanoye. In zijn hele oeuvre zijn homoseksuele verhaallijnen te vinden, maar aangezien ik maar één boek kon tippen heb ik voor Kartonnen dozen gekozen. Het is een prachtig verhaal over een onbereikbare liefde uit zijn jeugd, met een zekere Z. Het is een van die boeken die de tegenstelling tussen homo- en heteroliteratuur overstijgen, die zo veel kracht hebben dat ze eigenlijk meer over liefde in het algemeen gaan dan over een homoseksuele liefde. Ik heb diverse hetero’s gehoord die dat onderschreven.

Om toch iets anders te noemen: juist de andere kant op is Tom Lanoye’s verhaal ‘Een perfecte moord’ uit de bundel Spek en bonen. Het plot van dat verhaal, die perfecte moord, kán alleen maar plaatsvinden omdat dat de liefde tussen de hoofdpersonen homoseksueel is. Daarmee is het verhaal geen overstijging van het verschil tussen homo- en heteroliteratuur, maar juist een voorbeeld van een goed verhaal dat zich alleen maar in de homoliteratuur kan bevinden. Dat is ook wat waard.

Tot slot tipte ik de verhalenbundel Echte slechte mensen van Lernert Engelberts. Ik kocht dat boek puur op uiterlijk, kijk, hier is het. Strak vormgegeven, een tekening op de voorkant waar ik zowel een man als een piemel in herkende, ribbels op de achterkant en bovenal: roze papier. Ik las het een jaar later toen ik op vakantie was (een aanrader, als iemand in het hostel je naar je boek vraagt zeg je dat het ECHTE SLECHTE MENSEN heet). Toen ik het las bleek dat het ook nog eens een hele goede verhalenbundel is en dat de verhalen ‘De onschuldige’, ‘Echte slechte mensen’ en ‘De koelvriescombinatie’ ook homo-elementen bevatten. Ook bij deze verhalen is de homoseksualiteit niet hét doel van het verhaal. Het is een gegeven dat ook in het verhaal voorkomt, soms meer bij het plot betrokken, maar nooit de boodschap op zich. Daarmee zijn het geëmancipeerde verhalen, en zoals gezegd ook nog goed.

Dus, samenvattend kunnen we stellen dat de Nederlandse homoliteratuur begon bij De Haan, die door zijn boek volledig aan lager wal raakte. Via figuren als Reve kreeg de homoliteratuur meer ruimte en naar mate de tijd vorderde oversteeg de homoliteratuur steeds meer de porno en de pulp. Heden ten dage is de homoliteratuur er eentje die gelezen mag worden, ook door hetero’s. Ik zou zeggen: koop deze boekhandel leeg voor u naar huis gaat.

Dank u wel.