Tijdens de tweede editie van Boek op de Bank – het literaire festival waarbij bezoekers op bijzondere plekken in Nijmegen literair verantwoord kunnen bankhangen met hun favoriete auteurs – op donderdag 4 juni veranderde Hotel Credible in het Literaire Hotel. In alle hotelkamers vonden optredens plaats, en in één van de kamers voerde Op Ruwe Planken een bijzonder schrijfexperiment uit: een schrijver werkte live aan een verhaal, en werd daarbij geholpen door het publiek. Onze fotografen struinden achter de bezoekers van het festival aan door de gangen van het hotel, en legden alles voor u vast.

Update 25 juni: de teksten die tijdens de avond geschreven zijn, zijn nu onder de foto’s terug te lezen.

IMAG1754 (1)
De setting van de hotelkamer waarin Op Ruwe Planken intrek had genomen. Rechts schrijft Marjolein Takman druk aan een verhaal, terwijl Jorina van der Laan voordraagt.
IMAG1760 (1)
Om de zoveel tijd draaiden de auteurs de rollen om, terwijl de bezoekers het zich comfortabel maakten op de bedden van Hotel Credible.
IMAG1766 (1)
Verder aanwezig op de kamer: een tafelvoetbaltafel. Dit verlangen we voortaan altijd als we op vakantie een hotelkamer boeken.
bodb 13
Ook in de andere kamers vond een doorlopend programma plaats. Zo werd er geschilderd…
bodb 14
… ukelele gespeeld…
bodb 18
… voorgedragen…
bodb 20
… en voorgedragen in een roze jurk. Hij staat je goed, Willem.

Verhaal Marjolein Takman

Ik word wakker zonder schoenen aan. Dat klinkt niet vreemd, maar dat is het wel. Naakte voeten zijn weerloos in de nacht, ook al was het een nacht die me even onoverwinnelijk maakte. Dat zou tenminste kunnen, ik weet niet of het een glorieuze tocht was want ik weet niet waar ik ben. Ik zie een stapel kratten en een berg hooi. Mijn haar kriebelt en mijn handen prikken. Opstaan. Naar huis.
Naast de deur beweegt iets, voetstappen. Een koeienkop steekt door de deur en ik begrijp nog minder waar ik ben. Struikelend kom ik overeind, sta oog in oog met de koe. Het is een bruine, zo één die ik alleen ken van ansichtkaarten uit Zwitserland. We kijken elkaar aan, de koe en ik. Ik mag er niet uit, zo staat ze daar. Ik doe een stap naar de koe en ze doet een stap dichterbij. Ik steek mijn hand uit, langzaam, voorzichtig. Mijn vingertoppen raken de stugge koeienvacht en ik voel een schok door het dier gaan. Ik wurm me langs haar naar buiten. Het hok waar ik heb geslapen heeft geen deur.
‘Hé,’ hoor ik, ‘Jij!’ Een man met plastic klompen beent op me af.
‘Wat moet jij op mijn erf?’ roept hij.
‘Niks,’ zeg ik. Ik denk niet dat hij me hoort. ‘Het was een ongeluk,’ zeg ik. Dat was het ook.
Ik wil wegrennen maar het gaat niet echt. Mijn benen zijn te zwaar.
‘Fedde,’ klinkt een vrouwenstem, ‘wat is dat allemaal?’
Een vrouw loopt op ons af, ook op plastic klompen.
‘Een indringer op mijn erf,’ roept de man.
‘Ons erf, Fedde. Het is ook van mij en van de dieren,’ zegt de vrouw.
Ik kan niet zien waar de boerderij eindigt. De koe is de schuur weer uitgelopen en staart ons aan.
‘Wat zie je bleek. Gaat het wel goed met je?’ vraagt de vrouw. Ze sloft haar man voorbij en slaat een arm om mijn schouder.
‘Je moet even wat drinken,’ zegt ze, en ze duwt me de boerderij in. Fedde volgt grommend.
‘Verdomme Froukje, waarom moet je toch altijd mensen helpen?’ zegt hij.
Froukje drukt me in een rieten stoel. De inrichting is druk, alles is bruin en rood. Het ruikt naar stof en mest.
‘Je wil vast sap. Ik heb sap. Rode en gele.’
‘Geef dat kind gewoon melk,’ bromt Fedde.
‘Dat willen jongeren niet. Jongeren willen iets met een kleur waar ze doorheen kunnen kijken.’
‘Dat geef je Sjon, Bram en de andere 56 toch ook niet?’
’56 wat?’ vraag ik. Ik ben me er ineens heel bewust van dat dit het eerste is wat echt ik hardop zeg sinds ik hier ben. Ik klink als krakende wortels.
‘Kleinkinderen. We hebben twaalf kinderen, die kregen er allemaal een stuk of zes en nu hebben we 58 kleinkinderen. Ik weet van iedereen de naam. Er is dus Sjon, Bram, Bennie, Nora, Klaasje, Klaas…’
‘En al die anderen,’ sluit Fedde af. ‘Maar ik weet nu nog steeds niet wat je hier doet.’
‘Jesse, Magda, Karel, Karola, Klaas,’ gaat Froukje verder, ‘nee wacht, Klaas had ik al toch?’
‘Ik moet even naar de wc,’ zeg ik.
‘Links de gang uit, tweede deur rechts,’ zegt Fedde.
Er hangen heel veel foto’s in de gang. Misschien wel 58. Ik doe een deur open. Het is een slaapkamer met een open raam. Ik ren er haast naartoe, zonder geluid te maken. Gelukkig ben ik mijn schoenen nog altijd kwijt. Ik duik met mijn hoofd door het raam en laat me vallen. Hoe ben ik hier gekomen? Was ik lopend, fietsend, heeft een boze taxichauffeur me eruit gezet omdat ik in zijn auto heb gekotst? Ik ben geland naast een stel rolschaatsen, maar ik denk niet dat ik daarmee gekomen ben. Ze zien er niet uit alsof ze me passen. Het is rumoerig rond mijn hoofd. Een schaap likt over mijn gezicht en voor de tweede keer word ik wakker. De tequila is plotseling terug in mijn keel.
‘Fedde, de schapen!’ hoor ik iemand gillen.
Het erf staat vol schapen. 58 schapen. Ook de koe staat nog altijd toe te kijken. Het hoofd van Fedde verschijnt door het slaapkamerraam. Hij kijkt op me neer.
‘Verrader,’ zegt hij.

Verhaal Jorina van der Laan

(N.B. De door het publiek aangeleverde woorden zijn hier cursief gedrukt)

Ik ontmoet haar op een zaterdagnacht. Aan de manier waarop ze praat, kan ik zien dat ze het soort meisje is dat kalm lijkt aan de oppervlakte, maar voortdurend een storm onderdrukt. Ze drinkt ginger ale uit een frisdrankglas. Haar handen liggen nooit stil op de bar, maar houden altijd iets vast of trekken iets uit elkaar. Op de grond voor haar voeten liggen de resten van een kartonnen onderzetter. Ze draagt een dun draadje borduurgaren om haar smalle pols dat aan de uiteindes begint te rafelen. Als ik haar vraag aan welk lichaamsdeel ze het meest gehecht is, zegt ze dat het haar armen zijn. ‘Ik heb veel te dragen.’ Als ze haar sigaret voor de helft heeft opgerookt, drukt ze hem uit en noemt het een slechte gewoonte. Dat is het enige waar ze zich voor te verontschuldigt. Dat, en haar moeder. Ze trekt haar portemonnee uit haar broekzak en laat me een foto van haar zien.  ‘Ze vraagt me alleen hoe het gaat als het niet gaat en elke keer dat ze het vraagt, voelt het alsof ze mijn hoofd overhoop schiet en het laat liggen op de keukenvloer. Ze is een geweer.’ Ik durf haar niet te zeggen dat ze op haar moeder lijkt. Dat haar ogen even diep in haar kassen liggen waardoor het lijkt alsof ze al dagen niet geslapen heeft. Ik houd niet van mensen, maar ik weet hoe ik me om hen heen moet bewegen. Ik weet wanneer ik moet praten, wanneer ik stil moet zijn. Ik herhaal de dingen die ik mezelf heb aangeleerd en zij herhaalt de dingen die de meisjes voor haar herhaalden. Ze blijft praten, naar mijn naam vragen en zolang ik mijn hand verplaats als zij haar hand verplaatst, een sigaret opsteek als zij dat doet, weet ik dat ze bij me zal slapen. Pas als ze de skippybal in de hoek van de garage zal zien, het matras op de vloer en de met roest overdekte fietsen,  zal ze beseffen dat dit geen plek om wakker te worden is.